Jeroen Laureyns

BANKSY  Herwonnen vrijheid – Klassieke schoonheid


De anonieme Britse graffiti kunstenaar Banksy is de Maradona van de kunst. Op zijn eentje speelt hij de salonanarchisten van de beeldende kunst naar huis. Als in een geniale flits lichten in zijn beelden hoop en schoonheid op. Met een schijnbaar gemak herstelt Banksy in één beweging een geloof in het beeld en in vrede, rechtvaardigheid en vrijheid. Alles dus waar de beeldende kunst zoveel slimme en zure bezwaren tegen maakt.

1. Voorspel door een salonanarchist.

Het verhaal van Banksy begint bij tegenstrevers zoals Mark Wallinger, winnaar van de Turner Prize in 2007. Hij kreeg die prijs naar aanleiding van zijn installatie ‘State Britain’. Het was de tweede keer dat Wallinger meedeed. In 1995 werd hij met een doormidden gezaagde koe en kalf in de schaduw gesteld door de beroemdste telg van de Britse kunst, Damien Hirst.
Maar goed. In 2007 was het dus wel prijs. Wallinger was op de barricaden gesprongen en had in de monumentale hal van de Tate Britain spandoeken, pamfletten, foto’s en ander actiemateriaal tegen de oorlog in Irak geïnstalleerd. Een voorbeeldig conceptueel werk met de juiste politieke boodschap en een voorgeschiedenis die het allemaal nog wat gewaagder moest maken.
Het werk ‘State Britain’ was geen origineel werk, maar een exacte kopie van het protestmateriaal van eenmansactievoerder Brian Haw. Haw parkeerde zijn protest tegen de oorlog in Irak voor het Britse parlement van juni 2001 tot 23 mei 2006. De dag waarop Haw door de politie ontruimd werd in het kader van een nieuwe antiterreurwet. Die wet verbiedt niet aangevraagde betogingen binnen een straal van 1 km rond het Britse parlement.  Wallinger had voordien al kennis gemaakt met Haw en besloot om het protest verpakt als kunstwerk verder te zetten.
Wallinger gooide er 90.000 pond tegen aan en zette vijftien gespecialiseerde mensen aan het werk om exacte copies te maken van het protestmateriaal. Door dit conceptueel manoeuvre werd het volgens Wallinger een “opnieuw gemaakte replica die vragen oproept over authenticiteit.”
De kunstenaar maakte verder dankbaar gebruik van het feit dat de Tate Britain zich deels wel en deels niet binnen een straal van 1 km rond het Britse parlement bevindt. Op die symbolische overtreding van het protestverbod is de overheid niet ingegaan. Al wou de rebelse hofkunstenaar  wel met dit werk protesteren tegen het “autoritaire instinct van de Britse regering.”
Met ‘State Britain’ maakte Wallinger een voorbeeldig werk dat naadloos aansluit bij het internationale fenomeen van het salonanarchisme waarin kunstenaars de stijl en het imago van het actievoeren hebben overgenomen. Actievoeren is een stijl die het goed doet in de kunst. Kunstenaars zoals Mark Wallinger, Thomas Hirschhorn en Jonas Staal doen alsof ze verandering willen, maar in wezen geloven ze er niet in. Het is een moedeloos makend verhaal. Waarover later meer, maar eerst het goede nieuws.
In een kritiek op ‘State Britain’ van Mark Wallinger gaat het niet om het onderwerp. Een kritiek op het werk betekent niet dat men instemt met de Britse politiek inzake de oorlog in Irak en de strijd tegen het terrorisme. Het gaat niet om de boodschap, wel om de vorm. Ook al is dat idee ondergesneeuwd geraakt door de conceptualisering van de kunst en doet men het uitschijnen alsof enkel de ‘radicale’ inhoud van tel is.

2. Bansky, geloofwaardig als activist en kunstenaar.

Een van de weinige kunstenaars die erin slaagt geloofwaardig te zijn als activist en als kunstenaar is de anonieme Britse graffiti kunstenaar Banksy. Van op straat bestookt hij de wereld met beelden die zich op hetzelfde terrein begeven als het activisme in de kunst. Alleen zijn die beelden geloofwaardiger, oprechter en bereiken ze een groter publiek. Banksy bindt de strijd aan met oorlog, repressie en terrorisme. De politiestaat, de consumptiemaatschappij en de kunstwereld zijn kop van jut in zijn goedgemaakte, grappige en rake beelden.
Banksy begint zijn carrière op straat. Als graffiti spuiter in de schaduw van de illegaliteit. Hij ontwikkelde naar eigen zeggen uit noodzaak zijn bekende sjabloonstijl nadat hij zich een paar uur onder een trein moest verstoppen. Banksy is  niet de enige graffiti kunstenaar die werkt met sjablonen. De Franse Blek Le Rat is een gekend voorloper. Alleen heeft Banksy een grotere bekendheid verworven.
Dat heeft hij vermoedelijk te danken aan zijn originele cocktail van humor, politiek en kunst. Want laat er geen twijfel over bestaan. Banksy is een volbloed graffiti spuiter, maar hij heeft het op de kroon van de kunst gemunt. Een ambitie die hij met zijn satirische beelden over de hedendaagse kunst en infiltraties in musea kracht bij zet.
Het toeval wil dat Wallinger en Banksy elkaar ontmoeten in de protestactie van Brian Haw. Nog voor Wallinger aan de haal ging met Haw’s actiemateriaal, waren er al twee prachtige anti-oorlogsbeelden van Banksy bij Haw terecht gekomen. Op het ene beeld schilderen twee zwaar bewapende soldaten een rood vredesteken op een muur. In een ander beeld brengt een figuurtje een tankslang naar zijn hoofd alsof hij zelfmoord wil plegen.
Alles wat een Banksy zo goed maakt zit in deze beelden. De beelden zijn direct, verstaanbaar, grappig en idealistisch. Ook in andere anti-oorlogsbeelden werkt hij met herkenbare beelden die razend snel op hun doel afgaan. Banksy is geloofwaardig als anti-oorlogsactivist omdat hij simpelweg gelooft in het tegendeel. Vrede! Een geloof dat in het gedesillusioneerde bewustzijn van de traditionele hedendaagse kunstenaar uitblinkt in afwezigheid. Van de hoop op vrede bij Wallinger geen spoor. Alleen een zelfingenomen vingertje richting politiek met een waslijst van verdachtmakingen.
Banksy’s mooiste anti-oorlogsbeelden zijn vredesbeelden. Beelden waarin het oorlogsverlangen belachelijk wordt gemaakt. Een meisje omhelst een bom. Een kostschoolmeisje met gasmasker laat de blaadjes van een bloem wegwaaien in de wind. En een ander jong ukkie laat een hartjesballon meenemen door de wind. Banksy haalt zijn neus niet op voor een allegorie. Zonder sentimentaliteit is een kind bij Banksy opnieuw de belichaming van het idee van onschuld en vrede. De ouderwetse recepten die de beeldende kunst met de inzet van al haar intellectuele vermogens gedeconstrueerd had, haalt hij opnieuw van onder het stof. En met succes.
Een ander voorbeeld daarvan is het antropomorfisme in zijn kunst. Banksy is niet te beroerd om aan dieren menselijke eigenschappen toe te kennen. Een kleine rat wordt bij Banksy een vredesrat met plakkaat in de hand, vredessymbool om de nek. Of hij stopt zijn rat een zaag in de hand en maakt er een lieve, kleine saboteur van. De identificatie tussen werk en toeschouwer is direct. Voorkennis is niet vereist. Lange bedenktijd overbodig.
Ook de manier waarop zijn beelden zich verhouden tot hun inspiratiebronnen leidt niet tot de gebruikelijke verwarring. Wanneer Banksy een roze strikje rond een gevechtshelikopter schildert of een bloem in de plaats van een wapen stelt, inspireert hij zich op de beeldtaal van de vredesbeweging. Van de Anjerrevolutie in Portugal over het bloemenprotest tegen de oorlog in Vietnam tot de geweldloze actie van een eenzame Chinees tegen een tank op het Tian’anmen plein.
Al jaren draagt de vredesbeweging een T-shirt met onder de slogan ‘All the arms we need’   het beeld van twee meisjes die elkaar omhelzen. In de versie van Banksy wordt dat een ironisch, ontwapenend beeld van een meisje dat een bom omhelst. Hij inspireert zich op een bestaand voorbeeld en maakt er een eigen versie van zonder de oorspronkelijke vredesboodschap uit het oog te verliezen. Ook hier wordt het ondertussen uitgekauwde spel van de conceptuelen over uitvoering en originaliteit buiten spel gezet en maakt hij indirect een aansteller als Wallinger met zijn pseudo ready-made belachelijk.
Banksy heeft een duidelijk doel voor ogen en houdt zich aan zijn principes. Geen wonder dat hij ook een andere basisregel van de vredesbeweging probleemloos toepast. Wie tegen de oorlog is, gebruikt geen geweld. Voor de ontsporing van de andersglobalisten heeft hij geen begrip. En dus krijgt een gewelddadige andersglobalist een ruiker bloemen in zijn gooigrage hand gestopt. Ook het moment waarop een oproerkraaier even met een sigaret uitrust van het gooien met molotovcocktails wordt in een beeld van Banksy een heilzaam antidotum tegen geweld.
De eenvoud van zijn beeldtaal spoort samen met de eenvoud van zijn boodschap. Als je oprecht tegen oorlog bent, moet je in vrede geloven. Ook al is dat niet vanzelfsprekend. Banksy: “Het vraagt veel moed om in een westerse democratie anoniem op te staan en een oproep te doen om te geloven in dingen waar niemand anders in gelooft – zoals vrede, rechtvaardigheid en vrijheid.” En daarmee zijn we bij de kern van de zaak beland. Inhoudelijk speelt Banksy op hetzelfde terrein als andere linkse kunstenaars en intellectuelen. Alleen vervangt hij dodelijke ernst door humor,  conceptuele poespas door rake beelden en gelooft hij in de idealen die hij belijdt.

3. Levend links.
Banksy schenkt klare wijn door met een onuitstaanbare karakteristiek van ontmoedigd links komaf te maken. Daar waar de artistieke leden van de linkse kerk bij gebrek aan creativiteit het bewustzijn bombarderen met beschuldigingen gelooft hij zonder omwegen in de goede zaak. De sleutel daartoe is een prikkelende verbeelding. Geen frons, maar een bevrijdende lach. Geen angst, hoe intelligent ook, maar vertrouwen en verbeelding.
Inhoudelijk verschilt Banksy’s programma op geen enkel punt van een linkse maatschappijvisie. Alleen de toon is anders. En dat is cruciaal. Het feit dat hij in een alternatief gelooft maakt zijn kritiek op een repressieve, consumptiegekke en oorlogszieke maatschappij geloofwaardig.
Hoe Banksy de oorlogszucht een hak zet met zijn pacifistische beelden zagen we eerder al. Doelwit nummer twee is de repressieve maatschappij. Als graffiti kunstenaar maakt hij dankbaar gebruik van alle verbodsplakkaten, waarschuwingsborden en bewakingscamera’s waarmee de Britse publieke ruimte bezaaid is. Goed in het zicht van een bewakingscamera daagt hij de Britse bewakingsobsessie uit door de zin “What are you looking at?” op een muur te spuiten. Of hij keert gewoon de rollen om en tovert een straatmuur om tot een officiële graffiti zone, gecontroleerd door een bewakingsagent met geschoren poedel aan de leiband.
Banksy houdt van een beetje uitdagen, dus mag de klassieke belichaming van staatsmacht voor figurant spelen. De ‘law & order’ cultuur krijgt er goed van langs. Een hele horde oproerflikken met smiley-gezichten wenst van op een brug de brave burger een fijne dag toe. Een Britse bobby leeft zijn controlezucht uit en fouilleert een onschuldig schoolmeisje. Wanneer hij in een beeld een Royal Guard tegen een muur laat plassen maakt hij het criminaliseren van straatoverlast belachelijk.
Wonderlijk ook hoe makkelijk hij met zijn beelden een wind van verdraagzaamheid laat waaien. Eén beeld van twee mannelijke Britse politie-agenten die elkaar tongzoenen doet  meer goed voor andersgeaardheid dan de zoveelste preekcampagne. Net zoals een beeld van een politie-agent die op straat een lijntje snuift met één veeg het zwart-wit denken over menselijke gebreken van tafel veegt.
In een links perspectief kan een kritiek op de consumptiemaatschappij niet ontbreken. Maar ook hier weet hij door humor de valkuil van een haatcampagne tegen de bestaande maatschappij te omzeilen. Lachen met onze winkelwoede doet hij in een beeld waarin drie inboorlingen met een speer op twee winkelkarretjes jagen of in een tekening waarin vier lamenterende Christusvrouwen om het einde van de solden jammeren. Zelfs Mickey Mouse & Ronnie McDonald zijn het doelwit van zijn anti-commerciële spot in een beeld waar beide iconen vrolijk op wandel zijn met het beroemde, wenende Vietnam meisje uit de foto van Kim Phuc.
De sterke contrasten waar hij mee speelt keren nog eens terug in een Christus aan het kruis, met gespreide armen vol ‘shopping bags’. Het zijn oxymorons waar Wim Delvoye hijgend van jaloezie naar zit te kijken. Ook van het recycleren van oude symbolen is Banksy niet vies. Al is hij wijs genoeg om de lege citaatkunst thuis te laten. Banksy blaast oude symbolen nieuw leven. Zoals in een beeld waar een ouderwets gevleugeld engeltje met een kogelvrije vest ingetogen naar een doodskop kijkt. Opnieuw een pacifistisch beeld, met een vleugje meditatie over de dood erbij.
Banksy’s anarchisme is vrij en vrolijk. Weg van alle modieuze en zure retoriek die een oprecht verlangen naar positieve verandering hebben uitgehold.

4. De jacht op Banksy.
Ondertussen is de jacht op Banksy geopend. Banksy heeft zich aan de anonimiteit van de graffiti wereld ontworsteld en er staat duidelijk een prijs op zijn hoofd. Met de regelmaat van de klok duiken er berichten op over de onthulling van zijn identiteit. Voorlopig blijft het bij vermoedens dat het gaat om een man geboren rond 1974 en afkomstig uit Bristol.
De oorspronkelijke reden voor zijn anonimiteit is de illegaliteit van graffiti. Maar zelfs controlestaat Engeland begint te twijfelen als het om een Banksy gaat. Wanneer hij in 2006 in de buurt van een ‘sexual health clinic’ een satirisch beeld schildert, doet men eerst een rondvraag bij de buren. Vandalisme of kunst? Iedereen bleek de grappige betrappingscène van man, vrouw en minnaar te waarderen. Dus bleef het beeld behouden.
Hij is zo populair dat zelfs de officiële website van de stad Bristol zich promoot met Banksy als uithangbord. Op de site staat een link met een plan in welke straat je de Banksy beelden kan bekijken. Voor Londen bestaat er een stratengids waar je zijn beelden kan vinden.
Ook de kunstwereld is op de kar gesprongen. Naast het echte werk op straat kan je een originele Banksy kopen bij zijn officiële galerie Lazarides in Soho, Londen. De Amerikaanse popster Christina Aquilera kocht in de galerie voor 25.000 pond in 2006 een origineel en twee reproducties. Op het origineel stond een pornografisch beeld van een lesbische Queen Victoria, parmantig met haar blote kont gezeten op een andere vrouw.
Naast hippe popsterren zien gerespecteerde instellingen Banksy graag afkomen met zijn infiltraties in hun permanente collectie. Het duurde acht dagen voor het British Museum ontdekte dat een steen met een winkelende neanderthaler  niet in het museum  thuishoorde. De nieuwe rotstekening werd snel in de permanente collectie opgenomen. Blij om de gratis kunst van een gegeerd kunstenaar.
De band tussen populariteit en commercie eist zijn tol waardoor Banksy’s werk het slachtoffer is van speculatie. Een verkrot huis in Bristol werd met een levensgrote graffiti rat  te koop gesteld als ‘kunstwerk met een huis’. En ook alle betaalbare Banksy’s worden ondertussen op veilingen aan een veelvoud van de oorspronkelijke prijs verkocht.
Op die manier wordt hij snel in gehaald door de feiten en krijgt zijn anticommerciële kritiek een deuk. Van Banksy’s droom van een voor iedereen toegankelijke en betaalbare kunst blijft soms weinig over. Erger is de artistieke achteruitgang van een graffitibeeld wanneer voor verkoop zelfstandig op doek verschijnt. Zijn beelden hebben het decor van de straat nodig. Zonder vallen ze op hun gat.

5. Esthetiek van het lijden versus esthetiek van het kunnen.
Terug naar het begin. Terug naar de tegenspelers: de salonanarchisten van de beeldende kunst. Een goed voorbeeld daarvan was Wallinger, maar Wallinger is geen geïsoleerd geval. Ook kunstenaars zoals Thomas Hirschhorn  en Jonas Staal hebben van het actievoeren een  stijl gemaakt. Protestmateriaal als kunst of rouwaltaren als kunst. In wezen is er geen verschil. Het is activisme als kunst. Met alle gevolgen vandien. Activisme kan je het niet noemen. Kunst is het slechts dankzij een sofistische redenering.
Wallinger, Hirschhorn en Staal zien zich als guerrillastrijders in een vijandige wereld.  Hun oorlogstaal is niet mis te verstaan. Voor Hirschhorn zijn “filosofie en kunst machine de guerre”.  Voor Staal is “kunst een wapen”. Om hun eigen rol als vrijheidsstrijders  in de verf te zetten wakkeren zij het wantrouwen in de wereld aan. Het activisme als kunst zaait moedwillig verwarring en heeft het gemunt op het bewustzijn van de toeschouwer. Nadenken is de boodschap. Zich schuldig & bedrukt voelen het doel.
Karin Roedig-Van Loosdrecht sloeg in haar artikel over Jonas Staal (zie Rekto:Verso nr.34) spijkers met koppen wanneer ze dit nieuwe engagement de ‘kunst van het wantrouwen’ noemt. Wantrouwen als het hoogste morele en artistieke goed. Een oprecht verlangen en vertrouwen in verandering moet je in de bange harten van de academische activisten niet zoeken.
Maar goed. Wie of wat gaf er aanleiding toe om Banksy te gebruiken voor alweer een rondje slechte hedendaagse kunstenaars afbranden? Toegegeven Banksy is verstandiger en noemt geen namen, maar het is duidelijk dat ook hij zijn kunst als een vorm van oppositie ziet tegen de bestaande hedendaagse kunst.
Banksy: “All artists are prepared to suffer for their work, but why are there so few prepared to learn to draw?”.  Alle kunstenaars zijn bereid te lijden voor hun werk, maar slechts enkelen willen leren tekenen. Het is een prachtig aforisme voor de bestaande situatie. Sinds de beeldende kunst technische beheersing heeft afgezworen, blijft het lijden over. Lijden in de breedste betekenis van het woord.
Het gaan niet alleen om slachtofferkunst. Het gaat over een overheersende visie op kunst waarin een artistieke mentaliteit hoofdzaak is, de uitvoering bijkomstig. Zolang je maar als kunstenaar claimt dat je een afwijkende visie hebt. En bij een afwijkende mens- en maatschappijvisie hoort een afwijkende vorm. Alles wat onder de mantel van de ready-made kan is welkom. Afwijkende kunst, afwijkende mening. De kunstenaar toont wat wij niet willen zien, weet je wel? En daarvoor moet hij met gespeeld ontoegankelijke kunst  spreekwoordelijk lijden.
Het idee dat je als kunstenaar echt talent moet hebben om iets goed te kunnen & iets mooi te maken is zo passé. Banksy zoekt een weg uit die conceptuele en morele impasse en hecht opnieuw belang aan techniek en beeld. Een esthetiek van het lijden ruimt plaats voor een esthetiek van het kunnen. En in één beweging door verruilt hij defaitisme voor optimisme.
Met woord en beeld zet Banksy zich af tegen de esthetische provocateurs en artistieke activisten uit de gilde van de hedendaagse kunst. In drie satirische beelden schetst hij een beeld van de bestaande situatie. Een officiële tegencultuur zonder ballen.  Een hedendaags kunstenaar is in de ogen van Banksy een ouderwetse, academische schilder die in diepe ernst een erectie schildert. Het is lullige kunst. Bewaakt door een uitgebluste suppoost en omgeven met de grootste museale eer. Lullige kunst die met een even grote ernst door deftige heren als een ideale vorm van speculatie gezien wordt. De tegendraadse kunst van vandaag is conformistische kunst.
Banksy blaast de subversieve geest nieuw leven in door aan de conceptuele blabla te verzaken en terug te keren naar een klassiek realisme en oprecht idealisme. Hij legt het iconoclastisch beeldverbod van de kunst naast zich neer en herstelt het vertrouwen. In het beeld en in de mogelijkheid tot een betere wereld. Gedaan met een hopeloze kunst in de ban van een ‘ongelukkig bewustzijn’ en een ‘cultuur van angst’. Met humor, verbeelding, idealisme en hoop brengt Banksy het ongelukkig bewustzijn terug aan het lachen. Weg met de frons. Op naar de lach.